Afdrukken

In de eerste prefatie van de veertigdagentijd, opgenomen in het altaarmissaal, wordt kernachtig omschreven hoe wij met een zuiver hart naar het paasfeest toe kunnen gaan: “dit is een tijd van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste, een tijd van grotere trouw aan de sacramenten waarin wij zijn herboren.”
Er zijn verschillende vormen van bidden. Sommige mensen zullen gelijk denken aan het Onze Vader, anderen aan het bidden van de rozenkrans of aan de eucharistieviering. Of wellicht aan een kaarsje opsteken bij Maria en een schietgebedje in een benarde situatie. Voor veel mensen is bidden allereerst vragen. Vragen om een gunst, om het afwentelen van een ongewenste situatie, vragen om genezing, om werk en voorspoed. Jezus heeft ons geleerd dat wij bij God heel onbescheiden mogen aankloppen en Hem alles mogen vragen (Lucas 11, 1-13).
Maar er gaat aan dit vragen iets vooraf. Dat is een band, een relatie, een verbinding. Een mens die zich tot God richt weet dat hij volkomen van God afhankelijk is.

Wanneer een klein kind woordjes begint te zeggen dan scoren eerste woordjes als ‘mama’ en ‘papa’ hoog. Een kind zegt het om iets te krijgen: eten, een speeltje, aandacht. Maar zelfs voordat het zijn eerste woordjes zegt verstaan ouders wat hun kind nodig heeft of bedoelt. God heeft onze woorden niet nodig om te weten wat wij nodig hebben, maar Hij begrijpt het wanneer we Hem dingen vragen. En Hij is er. Als een zorgzame Vader en een liefdevolle Moeder luistert Hij naar zijn kinderen.
Wanneer Mozes vraagt naar de naam van God, zegt God: ‘Ik ben (er)’ of ‘Ik zal er zijn’ (Exodus 3, 14).
Bidden begint met het besef dat je bij elkaar bent. Bidden is niet alleen dingen zeggen tegen God. Wanneer een kind opgroeit leert het ook luisteren. Ouders brengen hun kind het nodige bij, geven wijze raad en zeggen soms ‘nee’ om het kind tegen zichzelf te beschermen. God is met ieder individu begaan en richt zich persoonlijk tot iedereen.
Een opgroeiend kind krijgt met steeds meer mensen contact. Het kind leert dat je soms iemand moet bedanken, dat je iemand iets toe kunt wensen, dat je soms dingen kunt zeggen waarvan je later spijt hebt en dat je dan sorry moet zeggen. Al deze dingen kunnen ook intenties zijn van het bidden: we kunnen God danken omdat Hij een vraaggebed heeft verhoord, we kunnen Hem prijzen, simpelweg omdat Hij alles heeft gemaakt en gezegend. We kunnen om vergeving vragen, omdat we verkeerd hebben gehandeld of goede daden hebben verzuimd. Het evangelie geeft veel voorbeelden van het bidden van Jezus.
Alles wat Jezus deed, deed Hij in verbondenheid met God, die Hij ‘Abba’ noemde: een zeer intieme uitdrukking voor Vader.
Bidden is het in stand houden van de band met God. Over het verlangen en de inspanningen van Gods kant om ons nabij te blijven hoeven we ons geen zorgen te maken. Die zijn er. Hij belooft dat Hij er altijd voor ons zal zijn. Terug naar de prefatie. De veertigdagentijd daagt ons uit om uitdrukkelijker en bewuster Gods liefde te beantwoorden. Dat kan door ons persoonlijke gebedsleven (nog) beter te verzorgen, bewuster aandacht te besteden aan het gezins- of gemeenschapsgebed, in stille tijd, door eucharistische aanbidding en schriftlezing, door ons in te zetten voor onze naasten.
Het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening (biecht) en het wekelijks deelnemen aan de eucharistieviering brengt ons dichter bij God.
Bidden is wat wij mensen doen om met God in verbinding te staan, individueel en gezamenlijk, in de kracht van de Heilige Geest.
Pastoor H. de Jong